Een stukje geschiedenis
- Rond de
eerste wereldoorlog profiteerde de vliegtuigmodelbouw van de ontwikkelingen in
de echte vliegtuigbouw. Men begon zwevers te ontwerpen die echt goed vlogen en
van een heuvel af werden gegooid of aan een lijn werden opgetrokken. Ook
rubberaangedreven modellen gingen steeds beter vliegen, ook binnen,
indoormodellen. Er werden al wel vluchten van meerdere minuten gemaakt. Er
werd geexperimenteerd met de eerste motoraandrijvingen: persluchtmotoren, CO2
en zelfs stoom, maar kleine verbrandingsmotoren waren nog niet op de markte.
In de jaren 20 werd wel de eerste dieselmotor (compressieontbrandingsmotor)
gepatenteerd door E. Thalheim in Zwitserland, maar door het patent mocht
niemand anders die bouwen en hij bouwde er maar een handjevol voor
opdrachtgevers.
- In de jaren '30 lukte
het de eerste kleine benzinemotoren te bouwen. Die werden al snel ook in vrij
vliegende modelvliegtuigen gebruikt. Een pionier was de Engelse Colonel Bowden.
De motoren waren echter erg duur, dus het grootste deel van de modellen waren
zwevers of rubberaangedreven modellen. De serieuze wedstrijdklassen waren de
Nordic klasse voor zwevers (nu A2) en de Wakefieldklasse voor
rubbermotormodellen. Ook werd geexperimenteerd met de eerste radiobestuurde
modellen. Doordat er buizen en zware batterijen gebruikt moesten worden en dat
allemaal duur was, was dit alleen maar voor een enkeling weggelegd. Modellen
werden gebouwd van vurenhout en triplex en bekleed met zijde en werden
gewoonlijk van tekening gebouwd. Die werden gepubliceerd door uitgevers van
als paddestoelen uit de grond schietende modelbouwtijdschriften, maar al snel
zijn er ook bouwdozen op de markt.
- In de tweede
wereldoorlog werd balsa ontdekt als ideaal modelbouwmateriaal. Daardoor kon
met kleinere modelvliegtuigen worden gevlogen waarvoor steeds vaker tissue
(papier) als bekledingsmateriaal werd gebruikt. Omdat de motoren beter liepen
en minder heet werden werd in Amerika vlak na de tweede wereldoorlog vaak
methanol als brandstof gebruikt in plaats van benzine als brandstof. Omdat
minerale olie wel oplost in benzine, maar niet in methanol wordt in de nieuwe
brandstof wonderolie als smeermiddel gebruikt. Bij toeval ontdekte Ray Arden
in de VS het principe van de gloeiplug, zodat bougie-ontsteking niet meer
nodig was. De methanol/gloeiplugmotor zoals wij die kennen was ontstaan. Eind
jaren '40 werden ook steeds meer dieselmotoren gebruikt, vooral in Europa. Het
patent van Thalheim was inmiddels afgelopen. Jim Walker in de VS verspreide
het lijnbesturingssysteem met een tuimelaar, twee dunne staaldraden en een
handvat. Hij claimde patent, maar later bleek dat het in 1937 al was
ontwikkeld door Oba St. Clair in de VS.
- In de jaren '50 bleef
het grootste deel van de modelvliegerij vrije vlucht, zweef, rubberaangedreven
of met een motortje, of lijnbesturing. Radiobesturing bleef duur, zwaar en
ontbetrouwbaar, maar steeds meer mensen bouwden hun eigen afstandsbesturing,
waar boeken en bouwpakketten van te krijgen waren. Meestal waren dat
éénkanaalsbesturingen. Alleen het richtingsroer werd bestuurd. Dat werd gedaan
via een escapement in het model, dat werd aangedreven door .... een
opgedraaide elastiek. Motoren hadden nog geen gasregeling, geen carburateur
dus, en liepen van begin tot eind van de vlucht even hard. De meeste
modelbouwspullen in ons land kwamen uit Engeland (Veron, KeilKraft) of
Duitsland (Graupner, Robbe). De meeste (diesel)motoren die in ons land werden
gebruikt kwamen uit Duitsland, met name Webra, maar ook Taifun, of een van de
vele merken uit Engeland, maar dat was hier moeilijker verkrijgbaar.
- In de jaren '60 kwam
de transistor en oplaadbare accu's en daardoor werd radiobesturing veel
betrouwbaarder, maar duur bleef het wel. De meerkanaals (multi) besturing
ontstond. Modellen werden nu niet alleen op richting, maar ook op hoogte en
rolroeren bestuurd. Er kwamen betrouwbare carburateurs, zodat ook het gas
geregeld kon worden. Steeds meer mensen gingen radiovliegen, wat vrije vlucht
en lijnbesturing langzaam verdrong als belangrijkste vormen van modelvliegen.
- In de jaren '70 was
radiobesturing zo langzamerhand volwassen en de belangrijkste vorm van
modelvliegen. Eerst was dat op de 27 Mc, maar door het vele gebruik van
'bakkies' (Citizen band) was er vaak storing. Er kwamen steeds meer motoren
uit andere Europese landen op de markt (Italie, Super Tigre en Oostenrijk, HP),
maar vooral uit Japan, met name OS en Enya. Er kwamen krimpfolies met lijmlaag
op de markt die met een strijkijzer aangebracht konden worden, waardoor de
traditionele bespanning met papier en afwerking met spanlak en verf steeds
minder voorkwam. Motoren hadden tot dan toe vrijwel altijd zonder demper
gedraaid, maar dat kon toch echt niet meer en voor nieuwe motoren werd steeds
vaker een demper verkrijgbaar. Er wordt steeds minder van tekening gebouwd en
steeds meer uit bouwdozen. De modelbouwmarkt werd beheerst door Graupner en
Robbe. De standaard radio trainers zijn de Robbe Charter en de Graupner Snoopy.
De eerste radiobestuurde helicopters worden gebouwd. Het er mee vliegen is
echter zeer moeilijk omdat er nog geen giro's gebruik werden. Vrije vlucht en
lijnbesturing werd door de meeste radiovliegers als iets voor kinderen en
beginners gezien, voor wat lijnbesturing betreft waarschijnlijk door de in de
speelgoedzaak verkrijgbare kant en klare lijnbestuurde modellen van plastic
met een 0,8cc brandstofmotortje van Cox. Toch is het onterecht vrije vlucht en
lijnbesturing zo af te doen. Een handvol die-hards bleef deze interessante
klassen beoefenen en op internationaal wedstrijdniveau werden er zeer hoge
prestaties mee geleverd. Vrij vliegende indoormodellen van minder dan 2 gram
met rubbermotor blijven bijna een uur in de lucht in grote hallen.
- In de jaren '80, met
de komst van de NiCd cellen werd electro aandrijving een realiteit. Ook kwamen
er betrouwbare en betaalbare viertaktmotoren op de markt, waardoor niet te
veel lawaai hoefde te worden gemaakt. Dieselmotoren waren echter volledig uit
de winkels verdwenen. Voor afstandsbesturing van vliegtuigen werd overgestapt
van de 27 naar 35 Mhz, waardoor er geen storing meer was van bakkies. Voor
vleugels werd steeds minder gebruik gemaakt van een opgebouwde constructie van
vuren liggers en balsa ribben. Steeds vaker werden vleugels met een hete draad
gesneden uit piepschuim en daarna bekleed met dun balsa. Voor rompen werd
steeds vaker kunststof gebruikt, ABS, of glasvezel met epoxy. Helicopters
worden een steeds gebruikelijker gezicht op het modelvliegveld. Bij
lijnbesturing worden Nederlanders wereldkampioen bij teamrace en combat.
- In de jaren '90 werd
er steeds meer electro gevlogen. Het edele handwerk van het modelBOUWEN raakte
op de achtergrond omdat er steeds meer (bijna) kant en klare modellen uit Azie
op de markt kwamen, de Almost Ready to Fly (ARF) modellen. De ontwikkelingen
waren zo dat er ook binnen in sporthallen met electromodellen kon worden
gevlogen. Voor de bouw werd daarbij steeds meer piepschuim gebruikt. Buiten
ging de trend juist naar steeds grotere modellen, waarvoor voor het eerst
sinds tientallen jaren weer benzinemotoren gebruikt werden, tot wel enkele
honderden cc's. Brokken bij de eerste vluchten worden voor een groot deel
voorkomen doordat aspirant vliegers met een simulatieprogramma kunnen oefenen
op de computer thuis. Alleen oude radiovliegers weten nog iets van vrije
vlucht, rubber, lijnbesturing, diesel, papier en spanlak (maar er zijn tot op
heden nog steeds beoefenaars van die oude takken van modelvliegen!). Vooral in
het buitenland echter ontstaat interesse in oude vrije vlucht ontwerpen met
brandstofmotor uit de jaren '30, '40 en '50, die worden dan echter vaak van
electroaandrijving en radiobesturing voorzien.
- Kort na de
eeuwwisseling zorgt het Chinese GWS voor goed bruikbare en goedkope
indoorvliegspullen, waardoor het indoorvliegen in korte tijd heel erg groeit.
Voor de modellen wordt veel gebruik gemaakt van depron, een voor de
indoorvliegerij handiger schuim dan piepschuim. Snel daarna komen er weer
nieuwe ontwikkelingen, vooral in de indoorvliegerij, het gebruik van carbon
(koolstofvezel) staafjes en buisjes als lichte en sterke liggers, LiPo-accu's
die veel lichter waren en grotere capaciteit hadden dan NiCd en NiMh,
borstelloze motoren die in vergelijking met de oude motoren met koolborstels
vrijwel niet meer sleten. Voor outdoormodellen wordt EPP schuim ontdekt als
vervanger voor piepschuim. Het is veel steviger en hoeft niet afgewerkt te
worden voor electromodellen. De Multiplex Easystar van EPP is bijna de
standaard trainer geworden. Er komen zelfs bruikbare, maar nog wel vrij dure,
straalturbine motoren op de markt voor echte straaljagers. Sinds enkele jaren
is er ook eindelijk vliegend speelgoed, electro aangedreven en radiobestuurd,
op de markt dat écht vliegt en veel kinderen kennis laat maken met
modelvliegen, maar wat ook door volwassenen erg leuk gevonden wordt. De X-twin,
een vliegtuigje van 22 gram en de Pico-Z, een met infrarood bestuurd
helicoptertje dat nog lichter is dan de X-twin, beiden van het chinese merk
Silverlit, zijn echte hits.
Inmiddels vliegt denk ik meer dan de helft van de modelvliegers niet meer met brandstof, maar met electromodellen. De markt wordt bovendien beheerst door ARF's. Er zijn erg veel modelvliegers die nog nooit een model zelf hebben gebouwd. Bespanpapier en spanlak is nog maar in een enkele modelbouwzaak te koop. Er wordt echter nog steeds aan lijnbesturing en vrije vlucht gedaan en in de modelbouwwinkels is nog steeds balsa te koop, maar voor hoe lang?
Bron: internet
Francis (wolli)