Antiekmodellen bouwen en vliegen
1. ARF of DITOW ?
ARF, dat kennen we allemaal, maar DITOW ? (Lees maar: Do It The Old Way.)
De laatste jaren wordt de modelbouwmarkt letterlijk overspoeld door ARF-modellen, jullie allen bekend als “Almost Ready To Fly”. En maar goed ook, want dit systeem heeft de vliegtuigmodelbouw toegankelijker en beter betaalbaar gemaakt voor een breed publiek. Beter betaalbaar, want gefabriceerd in "lage loon landen", vooral China dan. Je kan hierover een filosofische boom opzetten, maar feit is, dat het ons aller leven véél aangenamer gemaakt heeft. Geen Balsastof en kwalijk riekende (en bovendien zeer ongezonde) geurtjes van dope meer in de hobbyruimte of moeders living.
En toch: sommigen kunnen het
niet laten...uit nostalgie of uit masochisme zij in het midden gelaten, maar ze
gaan terug het gevecht aan met balsames, bouwplan en verfkwast . In ons landje
zal je ze ver zoeken, maar in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en vooral de
USA vormen ze een hechte gemeenschap, die in clubs en overkoepelende organen
georganiseerd is. (Enkele links vindt je verder onderaan, enfin je valt op het
internet van de ene link op de andere. Surf er dus maar lustig op los). Sommigen
zweren bij de 'Vrije Vlucht' (Freeflight), het vliegen met modellen zoals dat in
de periode van vóór de R/C gebruikelijk was. Maar Freeflight is natuurlijk
enkel mogelijk als je over voldoende ruimte beschikt en over een goede fysiek of
een motorfiets om je model terug te halen. Bovendien worden er wedstrijden
"vrije vlucht" georganiseerd met toestellen die qua High Tech niet voor de onze
moeten onderdoen, van electronische timers tot thermiek-opsporingstoestellen,
noem maar op. Deze mensen beschouwen ons, R/C-piloten trouwens als
primitievelingen, die van modelvliegen geen sikkepit begrepen hebben. Versta me
goed: ikzelf hoor daar niet bij . Fundamentalisme is hier uit den boze.
Maar de meesten hebben hun modellen dus met radiobesturing uitgerust. Kwestie van de vele werkuren niet bij de eerste vlucht aan de horizon te zien verdwijnen...
Enkele links: http://www.antiquemodeler.org/index2.html
http://website.lineone.net/~raynes.pk.mac/start.htm
http://www.antikmodellflugfreunde.de/index.html
2. De modellen.

Het spreekt vanzelf dat de gekozen modellen ook een beetje 'antiek' moeten zijn. Let wel: we spreken hier niet over scale of semi-scale modellen van oudere vliegtuigen (Type Sopwith Camel, Nieuport , Fokker Dreidecker enz...) maar van MODELVLIEGTUIGEN die als dusdanig ontworpen zijn. Nabouw van echt bestaande vliegtuigen blijven de grote uitzondering. Er bestaan nog honderden bouwplannen en bouwkits van dergelijke modelvliegtuigen, gemotoriseerd met verbrandingsmotor/ rubbermotor, en modelzweefvliegtuigen. Deze bouwplannen en kits zijn te verkrijgen bij gespecialiseerde firma's, steeds in het buitenland, bvb bij http://www.benbucklevintage.com http://www.aalmps.com/mlpics1.html of, nader bij de deur, in Solingen, bij http://www.aeroplan-modelle.de/aerosite001.htm .
Ze vergen goede bouwkundige vaardigheden en een niet geringe dosis tijd en geduld, zowel van de bouwer als van zijn/haar partner... Vrijwel alle 'oldies' hebben enkele gemeenschappelijke kenmerken:
a. Ze zijn opgebouwd uit HOUT. Kunststof wordt in de mate van het mogelijke vermeden, en metalen worden zeer spaarzaam ingezet wegens het gewicht. De bespanning bestaat uit papier, zijde, of een speciaal soort polyestervlies dat met spanlak behandeld wordt. Moderne krimpfolies nemen doorgaans 80% van de charme weg.
b. Het zijn dus per definitie lichtgewichten en, in combinatie met de hoogdragende , asymetrische vleugelprofielen dus ongeschikt om te vliegen bij windkrachten die 3 à 4 Bofort overschrijden. Wat de profielen betreft; vaak zijn deze plano-convex of concaaf (holle onderkant) en dikwijls heeft het horizontaal stabilo een dragend profiel, waarbij het algemeen zwaartepunt dan weer erg ver naar achteren moet schuiven, en de vleugelbelasting (g/dm2) nog kleiner wordt.
c. Uit bovenvermelde
kenmerken kunnen we afleiden dat het hier steeds om traagvliegers gaat, die de
zenuwen van de piloot (dikwijls al even "antiek" als zijn model...) minimaal
belasten. Je kan dan ook menig 'antiek-liefhebber' rustig in zijn klapstoeltje
zien zitten, de zender losjes in de hand, een strikt minimum aan stuurimpulsen
gevend, en ondertussen gezellig keuvelend met de clubkameraden over hoe fijn het
leven wel niet is. Schampere opmerkingen van de 'hedendaagse' jeugd zal hij met
een milde glimlach incasseren, wetend dat niets eeuwig is, en dat een
"helikopterlanding" nog altijd goedkoper is dan een dreunende crash in een
omgeploegd veld. (Zo wist een knaap me onlangs te vertellen dat ik niet “echt
aan modelvliegen deed, want dat je daarbij moet rechtstaan”...)

d. Motorisering: hoewel bij nationale en internationale wedstrijden electromotoren toegestaan zijn, zij het in een eigen kategorie, zullen de meeste bouwers de voorkeur geven aan verbrandingsmotoren. Als het even kan, die van vóór 1950 of replica's ervan. ( http://www.mecoa.com/vintage/index.htm )Dat kunnen dan benzinemotoren zijn met vonk-ontsteking door spoel en onderbreker, of zelfontstekers (zgn "Dieselmotoren"). Ook de eerste Glowplugmotoren worden ingezet. De beroemde Duitse KRATMO van voor WO II wordt vb. nog nagebouwd door Modellmotoren Armin de Vries ( http://modellmotoren.homepage.t-online.de/index.html ). Vandaag worden bij voorkeur moderne 4-taktmotoren gebruikt, ook al wegens hun 'archaïsch' geluid.
3. Besluit.
Ik hoop jullie met dit klein overzicht wat wegwijs gemaakt te hebben in deze fijne manier om vliegtuigmodelbouw te bedrijven. Ik weet dat we in de TMV enkele leden hebben die met dit type vliegtuigen vertrouwd zijn of waren, en ik hoop dat dit artikeltje voor hen niet al te "belerend" overkomt, want dat was zeker niet de bedoeling. Wél de bedoeling is, om de jongeren onder ons een inzicht te geven in de voorgeschiedenis van hun fascinerende hobby. Laten we niet vergeten dat we nu, in 2007, nog profiteren van de vele experimenten waarin onze vaders en grootvaders vanaf de vroege 30-er jaren van vorige eeuw hun energie gestoken hebben, en zonder dewelke de vliegtuigmodelbouw nooit zou geworden zijn wat ze nu is.
Jan Soete, 21. 06. 2007